Faunabeheereenheid 
Noord-Holland

Het is vandaag:
23 October 2014
 
 
Beginpagina
 
 
  :: Menu
Hoofdmenu
Beginpagina
Faunabeheerplan algemene soorten 2014-2019
Woord/begripsverklaring
Beleidsnota FFwet Noord-Holland
Provinciale vrijstellingsverordening
Provinciaal faunabeheer
   op een rijtje
Effectenanalyse FBP
Aanvragen machtiging FRS
Ontheffingsteksten
Contactinformatie
Fotoboek
Zoeken
Links
Jaarverslagen
Nieuws
 
 
PDF Print E-mail
Geschreven door Faunabeheereenheid   
FAUNABEHEERPLAN

MEERKOETEN

EKSTERS

Faunabeheereenheid Noord-Holland
September 2004

Auteur,
Secretariaat van de Faunabeheereenheid

Voorwoord

De faunabeheereenheid Noord-Holland is een door het College van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland erkende faunabeheereenheid in de zin van de Flora- en faunawet.

De rechtsvorm van de faunabeheereenheid Noord-Holland is een stichting. De doelstellingen van de stichting zijn vastgelegd in statuten.

Het werkgebied wordt begrensd door de provinciegrenzen van de provincie Noord-Holland. Bij dit werkgebied behoren ook de aangrenzende wateroppervlaktes en de bij laagwater droogvallende gronden voor zover deze binnen de begrenzing liggen van de provincie Noord-Holland.

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben de FBE aangewezen om diersoorten te beheren, waaronder meerkoeten en eksters, en schade aangericht door deze soorten te voorkomen en te bestrijden.

De beide deelplannen, per soort maken onderdeel uit van het “Faunabeheerplan Noord-Holland”. Over de meerkoet is veel bekend en beheer en schadebestrijding is evident. Over de ekster als soort is beslist niet minder bekend echter, het monitoren van de schade is in het verleden achterwege geladen. De ekster stond ten tijde van de Jachtwet onder art. 8. “overig wild” bekend als een soort die het gehele jaar door vrij bejaagbaar was en derhalve was schadebestrijding mogelijk. Een tegemoetkoming in de schade werd normaliter niet gegeven. Slechts uit overlevering wordt uitbetaling van schade aan fruit genoemd. Dit is echter niet in het plan opgenomen.

Geldigheidsduur van de faunabeheerplannen meerkoeten en eksters is vijf jaar gerekend vanaf het moment van daadwerkelijk in bezit hebben van de gevraagde ontheffing.










Dit deel van het Faunabeheerplan omvat de o.a. maatregelen die uitgevoerd kunnen worden om schade die meerkoeten kunnen veroorzaken tegen te gaan. De Meerkoet is een beschermde soort in de Flora- en faunawet. De meerkoet richt aanzienlijke schade aan de landbouw. Sinds het jaar 2000 is een stijging van de schade opgetreden.

De meerkoet komt overal waar water is in Nederland voor. De vogel benut als broedvogel  natte randen van de oevers zowel in natuurlijke omgeving als in stadsgrachten, jachthavens parken, industrieterreinen etc. De soort is zeer weerbaar en broedplaats concurrerende soorten wijken voor het agressieve gedrag. Alleen de fuut weet zich op de broedplaats naast de meerkoet te handhaven. De nesten worden veelal gevlochten tussen de (overjarige) stengels van in het water staand riet, in het water hangende boomtakken en allerhande drijvend plantenmateriaal. Al met al komt de meerkoet als standvogel (en een gering aantal overzomerende vogels) in 91% van het door SOVON geïnventariseerde (Sovon 2002) broedvogelatlas 1998-2000) gebied, als broedvogel voor.

Als voedsel neemt de meerkoet zowel plantaardig als (schelp) dierlijk voedsel tot zich, waarbij ook duikend naar de bodem van ondiep water naar waterplanten en driehoeksmosselen wordt gezocht. Op de oever wordt gefoerageerd op grassen, kruiden en landbouwgewas. In de winter, als waterplanten afgestorven zijn wordt in (grote) groepen gefoerageerd op grasland met een voorkeur voor eerstejaars gras.

Uit de broedvogel index van het CBS blijkt dat over de periode 1990-2002 sprake is van een tamelijk stabiele populatie, weliswaar met grote variaties als gevolg van winterse omstandigheden. 

De januaritelling van 2002 (SOVON “Watervogels in Nederland” 2001-2002) vermeld 250.000 exemplaren. De atlas van de Nederlandse broedvogel (SOVON 2002) vermeld een schatting van 130.000 tot 180.000 broedbaren. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is er een stijgende trend van het aantal broedparen. Het SOVON-monitoringsrapport 2004/01 vermeld voor Noord-Holland in haar midwintertelling een aantal van 45.644 meerkoeten, ruim  18% van het Landelijke aantal. Broedparen zijn goed in staat een aantal jongen groot te brengen. In de periode maart- juli worden meestal twee (soms 3-4) broedsels grootgebracht. Indien een broedpoging mislukt of het nest wordt vernield, dan wordt direct een nieuw nest gemaakt. Opvallend is dat er meestal meer dan vijf eieren (literatuur spreekt van 6-12 eieren) in een nest wordt aangetroffen terwijl over het algemeen slechts 3-4 jongen groot worden. Doorgaans brengt een broedpaar per jaar 8 tot 12 vliegvlugge jongen voort, die het volgend jaar kunnen broeden. Bij strenge vorst zoeken groepen soms de bermen van wegen op met als gevolg een hoge mortaliteit door het wegverkeer.

Binnenlandse migratie

Opmerkelijk is de populatieverschuiving van binnendijks naar buitendijkse gebieden. (en omgekeerd). Aan het einde van de zomer neemt de populatie binnendijks toe. Verondersteld wordt dat het kouder worden van het water (energieverlies), het gebrek krijgen aan driehoeksmosselen, mede door concurrentie van overwinterende duikeenden en het als voedsel minder geschikt worden van waterplanten, dit veroorzaakt. De binnendijkse populatie in Noord-Holland wordt voornamelijk aangevuld door vogels van de IJsselmeerkust en van de Randmeren. Gedurende de winter wordt het aantal meerkoeten aangevuld met overwinterende dieren uit Noord- en Noord-Oost Europa. Het aantal dieren dat gedurende de winter naar Noord-Holland trekt is over het algemeen groter dan het aantal wat wegtrekt. Dit verklaart waarom de januaritellingen het grootste aantal exemplaren weergeeft.

Meerkoeten kunnen schade aanrichten aan landbouwgewassen. Het Handboek Faunaschade heeft de voor meerkoeten kwetsbare gewassen geïnventariseerd. Schade-effecten worden vergroot doordat na de zomer groepen van jonge meerkoeten worden gevormd. Naarmate de herfst verstrijkt worden de groepen aangevuld met de volwassen meerkoeten die tot dan in hun territorium verbleven. Vervolgens sluiten de meerkoeten die in de zomer buitendijks verblijven zich aan en met het naderen van de winter komen daar nog eens overwinteraars bij. Naarmate de winter vordert neemt de groei van grassen en reeds gekiemde wintergranen af. De buien in het najaar maken de grond nat en de grote groepen meerkoeten verslempen de grond en vertrappen en vreten het gewas weg. Hierbij treedt aanzienlijke schade op.

Handboek faunaschade (bron Faunafonds)

Granen
Vraatschade
Herfst, winter, voorjaar
Aardappelen
Vraatschade
Vroege teelt
Grasland
Vraatschade
Herfst, winter, voorjaar
Graszaad en graszoden
Vraatschade bevuiling, vertrapping
Herfst, winter, voorjaar
Vgg. Spinazie
Vraatschade
Gehele teeltperiode
Vgg. Sla en andijvie
Vraatschade
Gehele teeltperiode
Vgg. Bloemkool en brocolli
Vraatschade
Incidenteel
Vgg. Boerenkool
Vraatschade
Incidenteel
Vgg. Overige/algemeen
Vraatschade
Gehele teeltperiode
Bloembollen en lelies
Vraatschade en vertrappen
Gehele teeltperiode
Riet en biezen
Vraatschade
Gehele teeltperiode

Schadeverloop Noord-Holland (2001 MKZ crisis) 2003* nog niet geheel verwerkt (bron Faunafonds). Bedragen in €.

Meerkoet
1996
1997
1998
1999
2000
2001
2002
2003*
totaal
Aantal meldingen
72
83
90
101
131
168
192
69
906
Getaxeerde schade
9.359
11.585
10.363
12.112
11.903
31.526
76.291
14.578
177.717
Uitgekeerd
9.231
11.286
9.861
10.649
11.501
25.189
72.665
6.620
156.984

Uitbetaalde schade belangrijke productgroepen 2000-2002 in Noord-Holland (bron faunafonds)

Product
Bedrag
Grasland
€   2.685,00
Granen
€   1.019,00
Vollegrondsgroente
€   5.235,00
Bloembollen
€ 28.378,00
Totaal
€ 37.317,00

De hierna volgende kaarten van het Faunafonds geven aan waar (traditionele) schadelocaties in Noord-Holland gelegen zijn. Alleen in Noord-Holland is schade, door de meerkoet aan bloembollen veroorzaakt. Gezien het zeer hoge bedrag dat is uitgekeerd en rekening houdend met het feit dat het hier slechts om een enkel schadegeval gaat zal de FBE met het doorschrijven van een ontheffing alert met een aanvraag voor het gebruik van deze ontheffing omgaan.







De meerkoet is in de Flora- en faunawet opgenomen als een beschermde soort. In de provinciale verordening heeft GS bepaald dat de meerkoet verjaagd mag worden ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren.

Een ontheffing voor het verjagen met ondersteunend afschot van meerkoeten op plaatsen waar deze soort schade dreigt aan te richten of aanricht is alleen mogelijk op basis van een FBP

De toepasbare middelen die hiervoor aangewend worden staan genoemd in het Besluit beheer en schadebestrijding dieren.

De provincie heeft het aantal in het verleden afgegeven individuele ontheffingen  (18 in 2003) en de schadehistorie als onvoldoende beschouwd om een besluit tot vrijstelling voor het doden op grond van art. 65 van de Flora- en faunawet te nemen. 

Wanneer wordt een ontheffing verleend voor het verjagen met behulp van afschot

Het belang zoals genoemd in art 68 onder lid 1. dat onvoldoende beschermd kan worden door de effecten van de bestaande vrijstelling op grond van art. 65 kan in aanmerking komen voor een ontheffing art. 68 voor het uitvoeren van de maatregelen genoemd in dit plan op voorwaarde dat:

  1. Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort;
  2. Er geen andere bevredigende oplossing is;
  3. Aannemelijk wordt gemaakt dat een van de ´erkende´ belangen in het geding is.
Andere bevredigende oplossingen

Het ´Handboek faunaschade´ van het Faunafonds geeft een opsomming van werende en verjagende middelen die kunnen worden toegepast naast het verjagen. Meestal zijn de in het handboek genoemde middelen op zich niet zodanig effectief dat afschot achterwege kan blijven. Ook kan van sommige maatregelen niet in redelijkheid van de aanvrager worden verwacht dat hij ze treft. Dit omdat zij te duur zijn of niet binnen de bevoegdheid van de aanvrager liggen.

Ontheffingsbeleid

Voor de benoemde belangen in de wet of in het Besluit beheer en schadebestrijding is Gedeputeerde Staten bevoegd om op grond van een FBP een ontheffing tot doden te verlenen.

Per belang moet kunnen worden getoetst onder welke voorwaarde de ontheffing wordt verleend. In grote lijnen zijn drie situaties te onderscheiden:

  1. De aanvraag moet cijfermatig zijn onderbouwd;
  2. De aanvraag moet zijn onderbouwd door een deugdelijke motivering of
  3. Een nadere onderbouwing van de aanvraag met gegevens is niet nodig.
Het kunnen beoordelen of het gaat om´belangrijke landbouwschade´ vereist een cijfermatige onderbouwing. Kwantitatieve gegevens zijn verkregen door vroegere taxatie en het uitbetalen van tegemoetkomingen in de schades die hebben plaatsgevonden.

6 Uitgangspunten van te nemen maatregelen

Reeds genomen maatregelen

Tijdens het jachtseizoen onder de jachtwet werden meerkoeten door jagers geschoten. De aantalreductie die uitging van de jacht leverde indertijd een bijdrage aan het verminderen van de schade. Immers, een lagere voorjaarsstand geeft per definitie in deze tijd van het jaar minder schade. Daarnaast werd in voorkomende gevallen schade bestreden op basis van verleende vergunningen tot afschot. (in de, voor jacht gesloten tijd).

De huidige vrijstelling van de provincie om opzettelijk te verontrusten geeft aan de grondgebruiker de mogelijkheid, om daar waar kwetsbare gewassen geteeld worden, het hele jaar door zijn belangen te beschermen. Waar dit onvoldoende mogelijk was heeft de provincie ontheffingen tot doden verleend. (in 2002: 4, in 2003: 18 en in 2004 (eerste half jaar) 7).

Andere bevredigende oplossingen

Het plaatsen van vlaggen en linten al dan niet in combinatie met een akoestisch verjaagmiddel heeft vaak slechts een tijdelijk effect. Op percelen waar meerkoeten foerageren treed na enkele dagen gewenning op. Het verjagen heeft in dit soort situaties vaak weinig effect.

De meerkoeten wijken uit naar de nabijgelegen percelen en keren terug als de rust is weergekeerd. Percelen met voor meerkoeten aantrekkelijke gewassen worden vaak dag en nacht bezocht om te foerageren. Hier zal het verjagen dus niet altijd zonder ondersteunend afschot kunnen. Op plaatsen waar water grenst aan percelen met kwetsbare, kapitaalintensieve gewassen kunnen, om inloop van meerkoeten te voorkomen rasters worden aangebracht.

De effectiviteit van ingezette preventieve middelen wordt grotendeels bepaald door de wijze waarop de grondgebruiker er mee omgaat.

Bij het inzetten van statische middelen neemt het onrust-gevoel bij de te verjagen meerkoeten na enkele dagen af als passief met deze middelen wordt omgegaan. De effectiviteit van de middelen wordt vergroot door deze te verplaatsen en door afwisselend, andere vormgeving, formaat en kleurstelling (zwart i.p.v. wit) in te zetten. Onderhoud is een vereiste. Het is van belang dat de statische eigenschap teniet wordt gedaan door een creatieve inzet. Verwacht wordt dat belanghebbenden zich inventief opstellen als het gaat om het voorkomen van belangrijke schade.

Preventieve middelen kunnen in twee categorieën worden ingedeeld (een strikte scheiding is overigens niet altijd te maken):

Werende middelen.

Dit zijn middelen die trachten te voorkomen dat bedoelde diersoorten op een potentieel schadeperceel kunnen komen.

Zaadbehandeling en voldoende diep inzaaien helpt schade te voorkomen. Rasters ter voorkoming van inlopen en netten ter voorkoming van invliegen zijn beproefde middelen alsmede vogelverschrikkers, vlaggen en linten, ophangen van dode vogels (kraaien), roofvogelvliegers etc. Deze laatste hebben onder invloed van wind ook een verjagend effect.

De grondgebruiker zal een maximaal effect bereiken als met deze middelen creatief wordt omgegaan.

Verjagende middelen.

Strikt genomen zijn dit middelen die reeds aanwezig zijnde soorten weg moeten jagen.

Denk hierbij aan akoestische middelen en audioapparaten. Een voorbeeld van een goed zichtmiddel is de ‘scary man’. Flitslampen en zoemdraden kunnen gedurende de dag en nacht effectief zijn. Schriklint, ritselfolie en ander (onregelmatig) geluid veroorzakende middelen zijn vaak laag van kosten en toch effectief.

Het bovenste is slechts een kleine greep van preventieve middelen uit het handboek Faunaschade van het Faunafonds. In de komende jaren zal het Faunafonds meer onderzoek verrichten naar de effectiviteit en kosten van preventieve middelen. Verslag van dit onderzoek zal gedaan worden op de website www.faunafonds.nl .

Effectiviteit van de maatregelen

Waar sprake is van schade aan de landbouwbelangen is het de bedoeling de dieren te verjagen eventueel met behulp van afschot. Afschot is onontkoombaar wanneer de inspanningen erop zijn gericht om meerkoeten voor langere tijd of blijvend van kwetsbare percelen weg te houden.. Dezelfde inspanningen richten zich ook op het verspreiden van grotere groepen meerkoeten om schade door vertrapping te voorkomen. De FBE gaat er van uit dat deze maatregelen effectief zullen zijn ter vermindering van schade aan de landbouw. Uit ervaring is gebleken dat groepen meerkoeten ook gedurende de nacht schade aanrichten. In dat geval zal de uitvoerder van de ontheffing regelmatig verjaagacties met afschot moeten uitvoeren in de avond voor zonsondergang en de daaropvolgende vroege ochtend na zonsopkomst.

De verjaag activiteiten kunnen een negatief effect op andere faunasoorten hebben als ze in het voorjaar plaats vinden. In dit geval moeten de maatregelen zo kortstondig mogelijk worden uitgevoerd in de tijd dat het te beschermen gewas (zaai en kiemperiode) kwetsbaar is.

De nauwgezette verslaglegging over de resultaten van de maatregelen maakt het mogelijk om de effectiviteit van de uitvoering van het plan in beeld te brengen. Hierbij zal de aandacht vooral worden gericht op de vermindering van de schade aan de landbouw en op de stand van de meerkoet.

Gunstige staat van instandhouding van de soort

Met ervaringen opgedaan in het verleden is gebleken dat de algemeen voorkomende mortaliteitoorzaken (inclusief jacht en schadebestrijding) de stand van de meerkoet niet beïnvloedt. De jaarlijkse aanwas compenseert in het algemeen de sterfte. Op grond hiervan hoeft er niet te worden gevreesd voor een achteruitgang van de stand van de soort.

7 Maatregelen

Maatregelen t.b.v. landbouwgewassen

Het gebruik van een ontheffing tot doden van meerkoeten als ondersteuning bij het verjagen dient effectief te zijn voor de te beschermen belangen. Een efficiënte uitvoering is ook gewenst. Binnen de grenzen van een gunstige staat van instandhouding van de soort geldt dat bij de uitvoering van de maatregelen voorkomen moet worden dat dieren onnodig lijden. Bij het vangen en doden ter voorkoming van schade gelden geen verboden die de effectieve uitvoering van noodzakelijke ingrepen onnodig kunnen beperken. Gebruikmaking van alle toepasselijke middelen uit het Besluit beheer en schadebestrijding van dieren is dan ook nodig.

Gegevens t.b.v. de maatregelen ter bestrijding van schade

Deze gegevens zijn in de tabellen van hoofdstuk 4 opgenomen.

De kwetsbare perioden van de diverse gewassen zijn hiermee bekend. Op de diverse schadekaarten is aangegeven waar de schade tot nu toe het grootst was. De geheel ingekleurde postcodegebieden (3 cijferig) geven als indicatie dat de gemiddelde (uitbetaalde) tegemoetkoming in de schade hoger licht dan € 250,00 per schadegeval. Bij de gearceerde gebieden licht de uitkering onder de grens van € 250,00 per schadegeval. Als gevolg van wisselteelt of verandering van het schadepatroon door andere oorzaken, kan de inzet van het gebruik van de ontheffing ook buiten de op de kaart ingekleurde gebieden nodig zijn. 

8 Ontheffingaanvraag

De FBE vraagt voor het gehele werkgebied van de FBE en voor de duur van het gehele jaar, met uitzondering van zon en feestdagen, ontheffing aan om meerkoeten te doden, als middel om verjaagacties te ondersteunen in de onderstaande (niet op voorhand geografisch aan te geven) gevallen:    

Gras en graszoden.
-om in de herfst, winter en voorjaar het gewas te kunnen beschermen tegen (dreigende) schade

Granen
-om vanaf het zaaien tot aanvang zomer het gewas te kunnen beschermen tegen (dreigende) schade.

Bloemen en bloembollen.
-om het gewas gedurende de teeltperiode te kunnen beschermen tegen schade.

Vollegrondsgroenten in het algemeen.
-om vanaf de zaai en plantperiode tot aan de oogst, het gewas te kunnen beschermen tegen (dreigende) schade.

9 Aansturen en verslaglegging

De maatregelen worden door de FBE aangestuurd. De uitvoerders zijn in beginsel de wildbeheereenheden in de provincie Noord-Holland en de beheerders van de terreinbeherende organisaties. De handhaving is in handen van de handhavers van politie, AID en provincie. De gedode meerkoeten worden door de uitvoerder meegenomen. De uitvoerders zijn verplicht om de omvang van de handelingen per maand aan de FBE door te geven op daarvoor bestemde rapportage formulieren (zie bijlage), bij voorkeur samengesteld door WBE of terreinbeherende organisatie. De rapportage dient binnen tien (10) dagen na het verstrijken van de maand in het bezit te zijn van de FBE. Deze verplichting wordt aangegaan op het moment dat de machtiging is ontvangen.

Uit de rapportage stelt de FBE een overzicht op dat inzicht geeft in het effect van de maatregelen.

Tevens kan op basis hiervan een evt. gewenste of noodzakelijke wijziging in het gebruik van de ontheffing worden aangebracht. Het jaarverslag wordt opgesteld zoals beschreven in de “Handreiking Faunabeheerplan Jachthouder”. Het verslag wordt voor 1 september ingediend.

Aanvraag om ontheffinggebruik

Alleen schriftelijk ingediende verzoeken om het gebruik van een ontheffing worden in behandelingen genomen. Bij voorkeur ingediend door een WBE of een terreinbeherende organisatie en vergezeld van een verzoekbrief van een belanghebbende(n) met een te beschermen doelstelling en/of belang.

Voor personen of organisaties die niet als deelnemer bij de FBE zijn aangesloten geldt eveneens het bovenstaande. Met dien verstande dat een eerste voorkeur zal uitgaan naar een aanvrager die is aangesloten bij een WBE of een terreinbeherende organisatie. Indien deze aansluiting om praktische redenen niet mogelijk is zal de FBE een ontheffing naar de aanvrager doorschrijven op nader te bepalen voorwaarden.

De FBE behoudt zich het recht voor om nadere informatie op te vragen dan wel elders informatie in te winnen alvorens een beslissing wordt genomen.

Procedure, buiten gemarkeerde gebieden op de 3pc schadekaarten van het Faunafonds:

Daar waar het gewassen betreft die kwetsbaar zijn voor de betreffende diersoort(en) geldt dat de ambtelijk secretaris van de FBE ter plaatse controleert of de aanvraag voor het gebruik van de ontheffing al dan niet kan worden doorgeschreven

Na acceptatie van het verzoek ontvangt de afzender van de FBE een “aanvraag-/machtigings-formulier. (model in de bijlage).

Na ontvangst van het volledig ingevulde en ondertekende formulier wordt dit door de FBE ondertekend en verstuurt de FBE de voor het gebruik van de ontheffing benodigde documenten toe. Inmiddels heeft de provincie dan al (indien de provincie dit wenst) een afschrift van het aanvraag-/machtigingsformulier ontvangen.

Melding

Indien de provincie Noord-Holland het wenselijk acht stuurt de FBE minimaal 24 uur voorafgaand aan het versturen, van het origineel naar de ontheffinggebruiker, een afschrift van de doorgeschreven ontheffing per fax,  per briefpost, of per elektronische post een (ondertekend) afschrift naar de provincie Noord-Holland.

De gebruiksduur voor de ontheffing is afhankelijk van de kwetsbare periode.

Ontheffingsvoorschriften

Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE) is als ontheffinghouder bestuurlijk verantwoordelijk voor het doorschrijven en het gebruik van de ontheffing. Het gebruik van de ontheffing wordt door de FBE schriftelijk toegestaan aan jachtaktehouders, die bij voorkeur zijn aangesloten bij de wildbeheereenheid of terreinbeherende organisatie waarin de gronden zijn gelegen waar gebruik gemaakt wordt van de ontheffing. Bij het doorschrijven van de ontheffing hanteert de FBE de volgende voorschriften;

  1. De jacht(akte)houder is de ontheffinggebruiker en voert de maatregelen conform de ontheffing uit. De wildbeheereenheid of terreinbeherende organisatie vervult ten dienste van de uitvoering en rapportage een adviserende en coördinerende rol bij het toestaan van het gebruik van de ontheffing.
  2. Per verjaagactie met ondersteunend afschot mogen maximaal vier (4) meerkoeten worden geschoten.
  3. De ontheffinggebruiker dient tijdens de uitvoering in het bezit te zijn van een schriftelijke, gedagtekende en ondertekende verklaring van de grondgebruiker, waarin deze toestemming heeft verleent zijn gronden te betreden en namens hem de maatregelen, waarvoor de ontheffing is bedoeld, te kunnen treffen alsmede een kopie van de ontheffing en een ondertekent aanvraag/machtigingformulier (zie model in de bijlage) van de FBE en een geldige jachtakte. Op een eerste verzoek van een daartoe bevoegd ambtenaar moeten deze documenten door de ontheffinggebruiker worden overlegd.
  4. De ontheffinggebruiker mag zich in de uitvoering laten bijstaan door andere personen al of niet zijnde jacht(akte)houders.
  5. Van de ontheffing mag geen gebruik gemaakt worden op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en hemelvaartsdag.
  6. Gedode meerkoeten mogen voor eigen consumptie of voor handel worden aangewend of moeten ter destructie worden aangeboden of ter plaatse worden begraven.
  7. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland kunnen gebruik maken van haar wettelijke bevoegdheden de ontheffing in te trekken c.q. op te schorten indien omstandigheden, in de wet omschreven en waarvan de beslissingsbevoegdheid aan GS gedelegeerd is, hiertoe aanleiding geven.
Faunafonds; Handboek faunaschade 2002.

Faunafonds; Schadekaarten en tabellen 3 cijferig postcodegebied 2000 –2002

Faunafonds; gegevens schadeoverzicht 1996-2003

KNJV; WBE databank

Provincie Noord-Holland; Beleidsnotitie Flora- en Faunawet 2002.

Sovon; Atlas van de Nederlandse broedvogels ( 2002).

Sovon; “Watervogels in Nederland” 2001-2002.

Sovon; monitoringsrapport 2004/1.

Bijlage


Op uw verzoek sturen wij u hierbij dit aanvraag-/machtigingsformulier, voor het gebruik van een ontheffing, toe.

Het betreft de ontheffing op grond van art. 68 van de Flora- en faunawet. Diersoort:……Meerkoet…………..

Op basis van het door de FBE opgesteld Faunabeheerplan heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland besloten de FBE Noord-Holland in het bezit te stellen van de ontheffing (met het kenmerk …………..).

Het betreft hier een ontheffing om de maatregelen, conform het plan te kunnen uitvoeren.

De onderstaand gegevens dient u volledig in te vullen om het voor de FBE mogelijk te maken deze ontheffing voor gebruik aan u door te schrijven. Met de aan u doorgeschreven ontheffing bent u als jachthouder/belanghebbende, en/of jachtaktehouders namens u, gemachtigd de maatregelen tussen een half uur voor zonsopgang en een half uur na zonsondergang uit te voeren. Dit met in achtneming van de specifieke voorschriften, genoemd in het plan en in de ontheffing.

Naam jachthouder/belanghebbende/WBE

Naam jachtaktehouder
 
 
 
 
Straat/nr.
Straat/nr.
Postcode
Postcode
Plaats
Plaats
Bijleveren; kaart 1 : 25.000,  met daarop gearceerd het gebied aangegeven waar de maatregelen worden uitgevoerd.
 
Soort gewas; ………………………………..
 
Aantal ha. Bejaagbare grond. > 40 ha.
Jachtaktenummer. …………………………...
Datum…/…/…   Plaats
Handtekening
 
 
Datum…/…/…   Plaats
Handtekening

In te vullen door de FBE Noord-Holland

De Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland schrijft bij deze de ontheffing door aan bovengenoemde jachtaktehouder om de maatregelen, genoemd in het Faunabeheerplan uit te kunnen voeren. De ontheffinggebruiker mag zich in de uitvoering laten bijstaan (in gezelschap) door anderen. 
Het betreft hier het gebruik van de ontheffing te bescherming van het gewas;
………………………………………
………………………………………
………………………………………
Haarlem
Datum …/…/…
Namens het FBE bestuur
P.B. van Houten
Ambtelijk secretaris
Zoals respectievelijk in Maatregelen (hoofdstuk 7) van het plan is genoemd.
Geldig tot:

Model rapportageformulier

behorende bij het gebruik van de ontheffing voor het uitvoeren van de maatregelen

FAUNABEHEEREENHEID NOORD-HOLLAND

Naam jachthouder/belanghebbende/WBE ………………………………………………………………

datum
Locatie in het veld. Op de kaart van het werkgebied gemarkeerd 1 : 25.000
Aantal meerkoeten geschoten
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

resultaatmeting

Neemt het aantal meerkoeten die schade aanrichten op het te beschermen perceel
toe/af/gelijk
Neemt de groepsgrote van meerkoeten die gedurende de dag schade aanrichten
toe/af/gelijk
Neemt de schade aangericht door meerkoeten tijdens de avond en nacht.
toe/af/gelijk

Opmerkingen;


1 Inleiding

De ekster is een beschermde inheemse diersoort die onder het vroegere regiem van de jachtwet onder art. 8 was opgenomen. Schade werd in die tijd niet vergoed en derhalve kan de FBE op een financieel cijfermatige basis geen plan schrijven. Het Faunafonds heeft echter in beeld gebracht waaruit de schade zou kunnen bestaan en de soort is dan ook in de lijst, overzicht instrumenten voor bestrijding van landbouwschade (Beleidsnotitie Flora- en faunawet) opgenomen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd op basis van een Faunabeheerplan.

De aanvrager voor het gebruik van de ontheffing moet voor de FBE aannemelijk maken dat schade is aangericht respectievelijk dreigt te worden aangericht.

Eendenkooikers hanteerden, voor het in werking treden van de Flora- en faunawet, sinds mensenheugenis de methode om eksters te doden en nesten te vernietigen als beheerinstrument. De FBE wil dat dit instrument voor de kooiker behouden blijft. Een generiek beheer t.a.v. predatoren is niet van toepassing. Alleen soorten waarvoor de provincie, op basis van de “Beleidsnotitie Flora- en faunawet” ontheffing kan verstrekken en waarvoor zij een faunabeheerplan vereist komen in aanmerking.

2 Leefwijze ekster

De ekster komt algemeen en nagenoeg overal in Nederland voor. In binnensteden is de vogel als broedvogel in parken aanwezig. In bospercelen waar de soort kwetsbaar is voor met name de havik komen weinig eksters- en nagenoeg geen eksternesten voor. Daar waar veel zwarte kraaien een overwicht hebben laat de ekster zich ook verdrijven. Al met al komt de ekster in 96% van het door SOVON geïnventariseerde (broedvogelatlas Sovon 1998-2000) gebied voor.

De ekster  eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel, waarvan gedeeltelijk ook aas en etensresten. Zoekend op de bodem naar emelten, larven en wormen, in heggen en bomen zoekend naar andere insecten, treffen wij de ekster veelal in de nabijheid van de partner aan. In de winter schakelt de ekster van insecten over naar zaden en door mensen achtergelaten afval.

Juveniele vogels zijn dan vaak in groepen van soms wel meer dan vijftien vogels waar te nemen. In de broedtijd treed de ekster als predator op aan legsels van, met name zangvogels. Nestelen doen zij solitair en bij voorkeur in hoge bomen. De nesten zijn voorzien van een “dak” en dit dient de broedende ekster voornamelijk tot beschutting en bescherming tegen nestpredatie.

De ekster profiteert in Noord-Holland van de aanleg van houtsingels rondom gebouwen etc. en windkeringen in de vorm van bomenrijen langs wegen. Ook de toenemende verparking van het landschap is in het voordeel van de ekster. 

3 Aantalsontwikkeling

Onder de jachtwet viel de ekster onder artikel 8. (overig wild). Mede afschot en vangst, door jacht hield de stand op een zeker niveau. Pas bij het ingaan van de Flora- en faunawet kreeg de ekster de beschermde status. Aanvankelijk is het aantal broedparen in Nederland van 40.000 in 1973 gestegen tot 120.000 in 1985. Opgemerkt dient te worden dat in dit tijdvak met name in het duingebied een sterk stijgende tendens merkbaar was. De stijglijn stagneerde halverwege de jaren tachtig met als mogelijke oorzaak de vestiging van de havik in het duin. Vanaf 1990 tot aan 2000 is landelijk per jaar een lichte daling (gemiddeld 3%) te constateren.

Onduidelijk is of het niet meer bejagen van eksters invloed krijgt op de ontwikkeling van de stand.

In Noord-Holland is de ekster talrijk aanwezig en tot het in werkingtreden van de FF-wet werd de vogel systematisch bejaagd. Het aantal (landelijk) broedparen genoemd in de broedvogelatlas (SOVON 2002) is 40.000 – 60.000.

Broedplaats-concurentie met de zwarte kraai is van belang in het buitengebied. Het blijkt dat de zwarte kraai als sterkere soort de ekster uit het buitengebied verdrijft. Eksternesten worden soms ingenomen door kraaien en de eksters worden uit het kraaienterritorium verdreven. De eksters hebben zich aangepast aan maatschappelijk activiteiten in en nabij stedelijk gebied en bij zwarte kraaien verloopt dit aanpassingsproces minder snel. Dankzij dit laatste weet de ekster zich goed te handhaven en heeft (tot nu toe) aantalsgewijs niet te lijden onder de zwarte kraai. De relatieve dichtheid (SOVON broedvogelatlas 2002) van broedparen is in Noord-Holland voor een oppervlakte aandeel > 60%  nagenoeg maximaal (0,9-1,0). In het resterend areaal zien wij een afbouw naar een relatieve dichtheid van 0,7 naar 0,3. Op cultuurland is de laagste dichtheid in gebieden met een open karakter met een gering aandeel aan hoog opgaande bomen. In het duin zien wij juist het tegenovergestelde, daar blijkt het predatie-effect van de havik de relatieve dichtheid sterk, op negatieve wijze, te beïnvloeden.

Normaliter worden er 5-7 eieren gelegd in het nest en meestal is het broedsucces goed tot aan de periode dat de jonge vogels vliegvlug worden.

4 Schade

schade aan fauna

De schade die eksters aan de fauna kunnen aanrichten is niet of nauwelijks geregistreerd. Wel is er een onderzoek gaande naar weidevogelpredatie waarvan de uitkomst nog niet bekend is. Met name zangvogels hebben te duchten van eksters. Doorgaans gaat het hier om zeer algemene soorten (zoals merel) en gaat het om natuurlijke predatie. Ook weidevogelgebieden, doorkruist met bomenrijen (langs wegen) zijn in een strook (tot circa 100 m. breed) kwetsbaar.

landbouwhuisdieren

Eksters kunnen schade aan eieren en jongen van scharrelpluimvee toebrengen. Van betekenis is de schade die eksters aanrichten door het wegvreten van voer voor pluimvee en schapen. Dit laatste is echter geen in de wet genoemd belang.

Schade is in het verleden niet geregistreerd en derhalve zijn er geen schade gegevens.

landbouwgewas

Eksters kunnen schade aanrichten aan landbouwgewassen. Schade is in het verleden niet geregistreerd en derhalve zijn er geen schade gegevens.

Zowel de provincie Noord-Holland, in haar Beleidsnotitie Flora- en faunawet (2002) als het Faunafonds in haar Handboek Faunaschade hebben de voor eksters kwetsbare gewassen geïnventariseerd.

De schade die eksters aanrichten volgens het “handboek faunaschade” van het faunafonds.

Mais
Zaaiperiode en tijdens
Afrijpen van het gewas
Gehele jaar aan ingekuilde
Mais
Vraat en pikschade
Appels en peren
Zomer en herfst
Pikschade
Vollegrondsgroente
Gehele jaar
Vraat en vernieling
Bessen
Voorjaar en zomer
Vraat en vernieling
Bloembollen
November - april
Pikschade
Bosbouw en boomteelt
Gehele jaar
Vraat en uittrekken
Van stekken
Landbouw huisdieren
Gehele jaar
Vraatschade aan voer
Tevens predatie
*Kuilvoer, silage, pakken en rollen
Gehele jaar
Pikschade
* De laatste is geen wettelijk genoemd belang.

5 Provinciaal beleid

In de provinciale vrijstellingsverordening, ex art. 65 wordt aan grondgebruikers vrijstelling verleend van de verboden ex.art 9 t/m 12 van de wet. Het is de grondgebruiker toegestaan om ter voorkoming van schade aan de landbouw de ekster opzettelijk te verontrusten. De grondgebruiker kan anderen (zoals zijn jachthouder) schriftelijk toestemming geven om van deze vrijstelling gebruik te maken.

Vooralsnog kiest de provincie niet voor een generieke vrijstelling om eksters te doden.  

De provincie geeft de voorkeur aan het opzettelijke verontrusten omdat dit de noodzaak tot afschot beperkt.

Het doden van eksters kan alleen plaatsvinden indien een FBP dit onderbouwd waarbij de provincie kan toetsen of de schadebestrijding planmatig en efficiënt wordt uitgevoerd.

Een aanwijzing, ex art. 67 om categorieën van personen aan te wijzen om de stand van de ekster te beperken is in Noord-Holland niet aan de orde. De soort is niet genoemd in de Regeling Beheer en schadebestrijding.

Wanneer wordt een ontheffing verleend voor het verjagen met behulp van afschot

Het belang zoals genoemd in art 68 onder lid 1. dat onvoldoende beschermd wordt door de effecten van bestaande vrijstellingen op grond van art. 65 kan in aanmerking komen voor een ontheffing art. 68 voor het uitvoeren van de maatregelen genoemd in dit plan op voorwaarde dat:

-Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort;
-Er geen andere bevredigende oplossing is;
-Aannemelijk wordt gemaakt dat een van de ´erkende´ belangen (verwoord in tabel 1 van de provinciale beleidsnotitie Flora- en faunawet) in het geding is.
-De ekster als soort en als populatie niet wordt bedreigd.

Andere bevredigende oplossing

Deze zijn niet van toepassing voor het verjagen op basis van de vrijstellingvoor het opzettelijk verontrusten. Het ´Handboekboek faunaschade´ van het Faunafonds geeft een opsomming van werende en verjagende middelen. De vrijstelling voor het opzettelijk verontrusten moet worden gezien als een ontheffing voor de meest gewenste methode. Echter, meestal zijn de in het handboek genoemde middelen op zich niet zodanig effectief dat afschot achterwege kan blijven. Ook kan van sommige maatregelen niet in redelijkheid van de aanvrager worden verwacht dat hij ze treft. Dit omdat zij te duur zijn of niet binnen de bevoegdheid van de aanvrager liggen.

Ontheffingbeleid

Ontheffingen voor het vangen en doden van eksters of het verstoren van eksternesten worden uitsluitend verleend aan de FBE op grond van een goedgekeurd FBP. Ze worden verleend ter bestrijding van “erkende” schade aan de landbouw.

De FBE moet in de aanvraag deugdelijk motiveren waarom ingrijpen op grond van de beschikbare gegevens noodzakelijk wordt geacht om daar waar nodig schade aan gewassen te kunnen voorkomen en te bestrijden. De FBE kan dit doen door haar aanvraag;

  • Cijfermatig te onderbouwen;
  • Te motiveren met een deugdelijke onderbouwing of
  • een nadere onderbouwing van de aanvraag met gegevens is niet nodig.
Het kunnen beoordelen of het gaat om´belangrijke landbouwschade´ vereist door het ontbreken van taxaties en vergoedingen voor geleden schade geen cijfermatige onderbouwing.

6 Uitgangspunten van te nemen maatregelen

Reeds genomen maatregelen

Deze zijn in het verleden tot aan de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet genomen in de vorm van afschot. Voorafgaande het jaar van in werkingtreding, in 2001 zijn er in verband met de MKZ crisis relatief minder eksters geschoten. De ekster stond ten tijde van de Jachtwet als “overige” (art. 8) wildsoort bekend en werd per definitie schadelijk geacht door veel jachthouders en weidevogelbeschermers. Vanuit dit perspectief gezien zijn er indertijd eksters geschoten.

jaartal

afschot
Per 100 ha.
jaartal
afschot
Per 100 ha.
80/81
5196
2,51
90/91
10889
5.72
81/82
6503
3,14
91/92
10256
5.38
82/83
7564
3,65
92/93
8204
4.31
83/84
8385
4,41
93/94
8981
4.72
84/85
9613
5,05
94/95
8067
4.24
85/86
11591
6,09
95/96
8602
4.52
86/87
8778
4,61
96/97
8680
4.56
87/88
8478
4,45
97/98
7930
4.17
88/89
7998
4,2
98/99
7338
3.86
89/90
15201
7,99
99/00
6149
3.23

De WBE databank geeft voor het jachtjaar 00/01 een landelijk afschot van 90.000 exemplaren aan.

Onder de Flora- en faunawet zijn door de provincie in 2002, 3 in 2003, 0 en in 2004, 0 ontheffingen verleend. In 2002 betrof het slechts ontheffingen voor het verontrusten (in combinatie met andere te verjagen diersoorten). Het afschot was derhalve van 1 april 2002 nul.

Andere bevredigende oplossingen

Deze oplossingen kunnen gevonden worden in het nemen van preventieve maatregelen zoals genoemd in het “handboek faunaschade” van het Faunafonds. Het is niet de bedoeling om alle middelen te noemen. Het plan verwijst voor de volledigheid naar genoemde publicatie. Echter, speciale aandacht verdient het voldoende diep inzaaien en het behandelen van zaaigoed met chemische smaakstoffen. Daarnaast verwijst dit plan naar de mogelijkheid van verzekeren voor de duur van de kiemperiode. Een andere mogelijkheid de schade te beperken is het gelijktijdig inzaaien van zo groot mogelijke oppervlakten en percelen met het doel de schadeconcentratie te verminderen.

Voor wat betreft het wennen van faunasoorten aan werende en verjagende middelen is het noodzakelijk deze middelen wisselend in te zetten aldus het Faunafonds.

De effectiviteit van ingezette preventieve middelen wordt grotendeels bepaald door de wijze waarop de grondgebruiker er mee omgaat.

Bij het inzetten van statische middelen neemt het onrust-gevoel bij de te verjagen eksters na enkele dagen af als passief met deze middelen wordt omgegaan. De effectiviteit van de middelen wordt vergroot door deze te verplaatsen en door afwisselend, andere vormgeving, formaat en kleurstelling (zwart i.p.v. wit) in te zetten. Onderhoud is een vereiste. Het is van belang dat de statische eigenschap teniet wordt gedaan door een creatieve inzet. Verwacht wordt dat belanghebbenden zich inventief opstellen als het gaat om het voorkomen van belangrijke schade.

Preventieve middelen kunnen in twee categorieën worden ingedeeld (een strikte scheiding is overigens niet altijd te maken):

Werende middelen.

Dit zijn middelen die trachten te voorkomen dat bedoelde diersoorten op een potentieel schadeperceel kunnen komen.

Ook zaadbehandeling en voldoende diep inzaaien helpt schade te voorkomen.  Netten ter voorkoming van invliegen is een beproefd middel alsmede vogelverschrikkers, vlaggen en linten, ophangen van dode vogels (kraaien), roofvogelvliegers etc. Deze laatste hebben onder invloed van wind ook een verjagend effect.

De grondgebruiker zal een maximaal effect bereiken als met deze middelen creatief wordt omgegaan.

Verjagende middelen.

Strikt genomen zijn dit middelen die reeds aanwezig zijnde soorten weg moeten jagen.

Denk hierbij aan akoestische middelen en audioapparatuur. Apparaat

Het bovenste is slechts een kleine greep van preventieve middelen uit het handboek Faunaschade van het Faunafonds.

In de komende jaren zal het Faunafonds meer onderzoek verrichten naar de effectiviteit en kosten van preventieve middelen. Verslag van dit onderzoek zal gedaan worden op de website www.faunafonds.nl .

Effectiviteit van de maatregelen

De maatregelen worden geconcentreerd toegepast in die situaties waar sprake is van schade aan de genoemde landbouwbelangen. Het accent ligt daarbij op het verjagen al dan niet met behulp van ondersteunend afschot. Dit temeer wanneer de inspanningen erop zijn gericht om eksters voor langere tijd of blijvend van kwetsbare percelen weg te houden. De FBE gaat er van uit dat de maatregelen effectief zullen zijn ter vermindering van schade aan de landbouw.

Tezamen met de in het “Handboek faunaschade” genoemde werende en verjagende middelen zal ondersteunend afschot als afdoende moeten worden beschouwd.

De verjaag activiteiten hebben weinig of geen negatief effect op andere faunasoorten daar de maatregelen veelal kortstondig worden uitgevoerd in de tijd dat het te beschermen gewas kwetsbaar is.

De nauwgezette verslaglegging over de resultaten van de maatregelen maakt het mogelijk om de effectiviteit van de uitvoering van het plan in beeld te brengen. Hierbij zal de aandacht vooral worden gericht op de vermindering van de schade aan de landbouw.

Gunstige staat van instandhouding van de soort

Ontheffing voor het doden van eksters leidt niet tot afbreuk van een gunstige instandhouding van de ekster. Het betreft hier geen bedreigde soort. Ingrepen ter voorkoming of beperking van schade vinden meestal slechts op beperkte schaal en in het buitengebied plaats. Het afschieten van enkele exemplaren ter plaatse is veelal voldoende.

Kanttekening

Het is voor de aanvrager niet- of moeilijk te realiseren om een schadebeeld van de ekster te presenteren. Onder de jachtwet werd de ekster onder artikel 8 als overig wild genoemd. Indertijd was bejaging het gehele jaar mogelijk en werd er ook geen schade vergoed. Derhalve is de schade niet financieel gedocumenteerd. Op grond van haar expertise kan het Faunafonds GS adviseren het FBP goed te keuren als verwacht wordt dat bij niet ingrijpen het criterium (min.) € 250,00 per schadegeval. schadeperceel belangrijke schade wordt gehaald. GS zal dit advies, in de regel opvolgen.

7 Maatregelen

Uitgangspunt is dat de stand van de ekster beleidsmatig niet ter discussie staat daar waar het de te nemen maatregelen betreft. De maatregelen hebben betrekking op het tegengaan van schade aan landbouw gewassen en landbouwhuisdieren.

Maatregelen  t.b.v. Landbouwhuisdieren

Maatregelen ten behoeve van landbouwhuisdieren behoeven niet middels dit plan te worden genomen. Bescherming van nestgelegenheid en voedselaanbieding voor deze (scharrel) huisdieren kan met relatief eenvoudige middelen worden gerealiseerd.

Een uitzondering hierop zijn de nesten van staleenden in eendenkooien. Staleenden broeden in kunstmatige nestgelegenheid en het struweel van de eendenkooi. Instandhouding van werking- en functie van een geregistreerde eendenkooi alsmede het voortbestaan van eendenkooien zijn mede afhankelijk van ‘op deze wijze gehouden’ staleenden. Het tegen gaan van vestiging van eksters in of in de nabijheid van eendenkooien is een beheerinstrument voor de kooiker.

Maatregelen ten behoeve van landbouwgewassen

Het gebruik van een ontheffing tot doden van eksters als ondersteuning bij het verjagen dient effectief te zijn voor de te beschermen belangen. Een efficiënte uitvoering is ook gewenst.

Binnen de grenzen van een gunstige staat van instandhouding van de soort geldt dat bij de uitvoering van de maatregelen voorkomen moet worden dat dieren onnodig lijden. Bij het vangen en doden ter voorkoming van schade gelden geen verboden die de effectieve uitvoering van noodzakelijke ingrepen onnodig kunnen beperken. Mede bezien tegen de achtergrond van het feit dat in het verleden door jachtuitoefening schade werd voorkomen maar geen schaderegistratie werd bijgehouden valt te concluderen dat schade werd en kan worden aangericht.

Gebruikmaking van alle toepasselijke middelen uit het Besluit beheer en schadebestrijding van dieren is dan ook nodig.

Maatregelen m.b.t. de fauna

Er bestaat bij partijen geen behoefte om in dit (kennis) stadium over predatie,  door eksters, maatregelen te treffen middels dit Faunabeheerplan. Partijen met een te beschermen natuurdoelstelling kunnen, als monitoring dit uitwijst aanpassing van het Faunabeheerplan bepleiten.

Gegevens t.b.v. de maatregelen

De van belang zijnde gegevens zijn onder andere verkregen van het Faunafonds. Deze gegevens zijn in de tabellen van hoofdstuk 3 opgenomen.

De kwetsbare perioden van de diverse gewassen zijn hiermee bekend. Op de diverse schadekaarten van het Faunafonds is aangegeven waar de schade tot nu toe het meest intensief was. De geheel ingekleurde postcodegebieden (3 cijferig) geven als indicatie dat de gemiddelde (uitbetaalde) tegemoetkoming in de schade hoger licht dan €250,00 per schadegeval. Dit wil niet zeggen dat er elders in Noord-Holland geen schade kan worden aangericht. Wisselteelt en/of verandering van het schadepatroon kunnen vereisen dat inzet van het gebruik van de ontheffing ook buiten de op de kaart ingekleurde gebieden moet kunnen plaatsvinden.

De schadeontwikkeling zal nauwgezet worden gevolgd en de gegevens die hieruit voortvloeien zullen in het jaarverslag worden opgenomen.

-Een cijfermatige onderbouwing is tot op heden niet te geven. De FBE verwacht dat het Faunafonds in de toekomstige jaren cijfers zal publiceren. 
-De schadekaart betreft schade aangericht door kraaiachtigen. Dit houd in dat schade aangericht door eksters proportioneel moet worden bekeken. Dit is op voorhand niet te bepalen. Gegevens over schadeaanrichtende eksters moeten dan ook expliciet verwoord worden.

De FBE vraagt voor het gehele werkgebied van de FBE en voor de duur van het gehele jaar, met uitzondering van zon en feestdagen, ter ondersteuning van verjagen, ontheffing aan om eksters te doden, eieren te verwijderen en nesten te vernietigen om schade te kunnen bestrijden of te voorkomen aan landbouwgewassen zoals aangegeven in de Beleidsnotitie Flora- en faunawet Noord-Holland.

Het doorschrijven van de ontheffing waarbij ondersteunend afschot wordt toegepast vindt alleen plaats als de ambtelijk secretaris, ter plaatse, de noodzaak hiertoe heeft vastgesteld.

Mais
-om vanaf de zaaitijd tot en met het afrijpen het gewas te kunnen beschermen tegen (dreigende) schade.

Appels en peren
-om in de maanden juli-oktober het fruit te kunnen beschermen tegen (dreigende) schade.

Bloemen en bloembollen.
-om het gewas gedurende de periode tussen november en april te kunnen beschermen tegen schade.

Vollegrondsgroenten in het algemeen.
-om gedurende de teeltperiode het gewas te kunnen beschermen tegen (dreigende) schade.

Landbouwhuisdieren.
-om gedurende de periode dat pluimvee legsels en kuikens hebben predatie hiervan te bestrijden.

De FBE vraagt voor het gehele werkgebied van de FBE en voor de duur van het gehele jaar, met uitzondering van zon en feestdagen, ontheffing aan om eksters te doden, eieren te verwijderen en nesten te vernietigen. Dit dienende als middel om vestiging van eksters in geregistreerde eendenkooien (op voorhand geografisch aan te geven) te voorkomen.

Het doorschrijven van de ontheffing waarbij ondersteunend afschot wordt toegepast vindt alleen plaats als de ambtelijk secretaris, ter plaatse, de noodzaak hiertoe heeft vastgesteld.

-om gedurende de maanden februari t/m augustus te voorkomen dat eksters zich in het kooibos (struweel) gaan vestigen / nestelen en ter voorkoming en bestrijding van schade aan staleenden legsels en jonge (stal) eenden.
-om de kooiker in staat te stellen eksters te vangen met een vangkooi/kastval en te doden.

De maatregelen worden door de FBE aangestuurd. De uitvoerders zijn in beginsel de wildbeheereenheden in de provincie Noord-Holland en de beheerders van de terreinbeherende organisaties. De handhaving is in handen van de handhavers van politie, AID en provincie. Gedode eksters worden door de uitvoerder meegenomen. De uitvoerders zijn verplicht om de omvang van de handelingen per maand aan de FBE door te geven op daarvoor bestemde rapportage formulieren (zie bijlage), bij voorkeur samengesteld door WBE of terreinbeherende organisatie. De rapportage dient binnen tien (10) dagen na het verstrijken van de maand in het bezit te zijn van de FBE. Deze verplichting wordt aangegaan op het moment dat de machtiging is ontvangen. De uitvoerders zien er op toe dat de grondgebruiker schriftelijk toestemming heeft verleend om zijn grond te betreden met de vermelding op dit document dat de maatregelen namens deze grondgebruiker uitgevoerd worden.

Uit de rapportage stelt de FBE een overzicht op dat een zo maximaal mogelijk inzicht geeft in het effect van de maatregelen.

Tevens kan op basis hiervan een evt. gewenste of noodzakelijke wijziging in het gebruik van de ontheffing worden aangebracht. Het jaarverslag wordt opgesteld zoals beschreven in de “Handreiking Faunabeheerplan Jachthouder”. Het verslag wordt voor 1 september ingediend.

Aanvraag om ontheffinggebruik

Alleen schriftelijk ingediende verzoeken om het gebruik van een ontheffing worden in behandelingen genomen. Bij voorkeur ingediend door een WBE of een terreinbeherende organisatie en vergezeld van een verzoekbrief van een belanghebbende(n) met een te beschermen doelstelling en/of belang.

Voor personen of organisaties die niet als deelnemer bij de FBE zijn aangesloten geld eveneens het bovenstaande. Met dien verstande dat een eerste voorkeur zal uitgaan naar een aansluiting van de aanvrager bij een WBE of een terreinbeherende organisatie. Indien deze aansluiting om praktische redenen niet mogelijk is zal de FBE een ontheffing naar de aanvrager doorschrijven op nader te bepalen voorwaarden.

De FBE behoudt  zich het recht voor om nadere informatie op te vragen dan wel elders informatie in te winnen alvorens een beslissing wordt genomen.

Na acceptatie van het verzoek ontvangt de afzender van de FBE een “aanvraag-/machtigingsformulier. (model in de bijlage).

Na ontvangst van het volledig ingevulde en ondertekende formulier wordt dit door de FBE ondertekend en verstuurt de FBE de voor het gebruik van de ontheffing benodigde documenten toe. Inmiddels heeft de provincie dan al (indien de provincie dit wenst) een afschrift van het aanvraag-/machtigingsformulier ontvangen.

Melding

Indien de provincie Noord-Holland het wenselijk acht stuurt de FBE minimaal 24 uur voorafgaand aan het versturen, van het origineel naar de ontheffinggebruiker, een afschrift van de doorgeschreven ontheffing per fax,  per briefpost, of per elektronische post een (ondertekend) afschrift naar de provincie Noord-Holland.

De gebruiksduur voor de ontheffing is dan 14 dagen. Indien het wenselijk is de maatregelen te continueren, moet wederom een aanvraag hiertoe worden ingediend.

Ontheffingsvoorschriften

Faunabeheereenheid Noord-Holland (FBE) is als ontheffinghouder bestuurlijk verantwoordelijk voor het doorschrijven en het gebruik van de ontheffing. Het gebruik van de ontheffing wordt door de FBE schriftelijk toegestaan aan jachtaktehouders, die bij voorkeur zijn aangesloten bij de wildbeheereenheid of terreinbeherende organisatie waarin de gronden zijn gelegen waar gebruik gemaakt wordt van de ontheffing. Bij het doorschrijven van de ontheffing hanteert de FBE de volgende voorschriften;

  1. De jacht(akte)houder is de ontheffinggebruiker en voert de maatregelen conform de ontheffing uit. De wildbeheereenheid of terreinbeherende organisatie vervult ten dienste van de uitvoering en rapportage een adviserende en coördinerende rol bij het toestaan van het gebruik van de ontheffing.
  2. De ontheffinggebruiker dient tijdens de uitvoering in het bezit te zijn van een schriftelijke, gedagtekende en ondertekende verklaring van de grondgebruiker, waarin deze toestemming heeft verleent zijn gronden te betreden en namens hem de maatregelen, waarvoor de ontheffing is bedoeld, te kunnen treffen alsmede een kopie van de ontheffing en een ondertekend aanvraag/machtigingformulier (zie model in de bijlage) van de FBE en een geldige jachtakte. Op een eerste verzoek van een daartoe bevoegd ambtenaar moeten deze documenten door de ontheffinggebruiker worden overlegd.
  3. De ontheffinggebruiker mag zich in de uitvoering laten bijstaan door andere personen al of niet zijnde jacht(akte)houders.
  4. Van de ontheffing mag geen gebruik gemaakt worden op zondagen, nieuwjaarsdag, tweede paas- en pinksterdag, de beide kerstdagen en hemelvaartsdag.
  5. Gedode eksters mogen niet in het veld worden achtergelaten.
  6. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland kunnen gebruik maken van haar wettelijke bevoegdheden de ontheffing in te trekken c.q. op te schorten indien omstandigheden, in de wet omschreven en waarvan de beslissingsbevoegdheid aan GS gedelegeerd is, hiertoe aanleiding geven.
Faunafonds; Handboek faunaschade

Faunafonds; tabellen van uitgekeerde tegemoetkoming in de schade

KNJV; WBE databank

Provincie Noord-Holland; Beleidsnotitie Flora- en Faunawet 2002.

SOVON broedvogelatlas 1998-2000

SOVON “Watervogels in Nederland” 2001-2002

SOVON; Atlas van de Nederlandse broedvogels ( 2002).

SOVON-monitoringsrapport 2004/01

Bron: VZZ & CBS


Op uw verzoek sturen wij u hierbij dit aanvraag-/machtigingsformulier, voor het gebruik van een ontheffing, toe.

Het betreft de ontheffing op grond van art. 68 van de Flora- en faunawet.

Diersoort: …EKSTER……

Op basis van het door de FBE opgesteld Faunabeheerplan heeft Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland besloten de FBE Noord-Holland in het bezit te stellen van de ontheffing (met het kenmerk …………..). 

Het betreft hier een ontheffing om de maatregelen, conform het plan te kunnen uitvoeren.

De onderstaande gegevens dient u volledig in te vullen om het voor de FBE mogelijk te maken deze ontheffing voor gebruik aan u door te schrijven. Met de aan u doorgeschreven ontheffing bent u als jachthouder/belanghebbende, en/of jachtaktehouders namens u, gemachtigd de maatregelen uit te voeren. Dit met in achtneming van de specifieke voorschriften, genoemd in het plan en in de ontheffing.

Naam jachthouder/belanghebbende/WBE
Naam jachtaktehouder
 
 
 
 
Straat/nr.
Straat/nr.
Postcode
Postcode
Plaats
Plaats
Bijleveren; kaart 1 : 25.000,  met daarop gearceerd het gebied aangegeven waar de maatregelen worden uitgevoerd.
 
Soort gewas; ………………………………..
 
Aantal ha. Bejaagbare grond. > 40 ha.
Jachtaktenummer. …………………………...
Datum…/…/…   Plaats
Handtekening
 
 
Datum…/…/…   Plaats
Handtekening

In te vullen door de FBE Noord-Holland

De Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland schrijft bij deze de ontheffing door aan bovengenoemde jachtaktehouder om de maatregelen, genoemd in het Faunabeheerplan uit te kunnen voeren. De ontheffinggebruiker mag zich in de uitvoering laten bijstaan (in gezelschap) door anderen. 
Het betreft hier het gebruik van de ontheffing te bescherming van het gewas;
………………………………………
………………………………………
………………………………………
 
Haarlem
Datum …/…/…
Namens het FBE bestuur
P.B. van Houten
Ambtelijk secretaris
 
Zoals respectievelijk in Maatregelen (hoofdstuk 7) van het plan is genoemd.
Geldig tot:

Model rapportageformulier

FAUNABEHEEREENHEID NOORD-HOLLAND

Behorende bij het gebruik van de ontheffing  (nr………..) voor het uitvoeren van de maatregelen.

diersoort: …EKSTER………….

Naam jachthouder/belanghebbende/WBE ………………………………………………………………

datum
Locatie in het veld. Op de kaart van het werkgebied gemarkeerd 1 : 25.000
Aantal exemplaren geschoten
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

enquête

Neemt het aantal vogels die in de ochtend en gedurende de dag schade aanrichten

toe/af
Neemt het aantal die in de avond en gedurende de nacht schade aanrichten
toe/af

Opmerkingen;






Deelnemers in FBE





















Inloggen